dinsdag 15 februari 2011

Recente discussies

Deze week heb ik twee discussies gehad met vrienden waarbij beiden mij duidelijk probeerden te maken dat de milieuproblemen die de aarde nu bedreigen zo groot zijn dat er geen oplossing meer mogelijk is. Een verslaving aan techniek, een hoge levensstandaard en schaapachtig consumeren zouden aan de basis liggen van deze problemen. Deze problemen zijn vorige eeuw al ontstaan en onderhand uitgegroeid tot een onstuitbare moloch. Onderdeel van hun redenatie is dat regeringen en wereldleiders hun eigen economische belangen nog steeds laten prevaleren boven een gezamenlijk optreden tegen globale problemen (Kyoto 1997, Kopenhagen 2009 met bijbehorende wikileaks cables) en omdat het zulke gigantische problemen betreft is de invloed van een persoon verwaarloosbaar. Waar dit bij mijn vrienden een nihilistische houding ten opzichte van de wereld ben ik van mening dat de invloed van één persoon wel degelijk uit maakt. En zelfs al mocht dit niet zo zijn dan nog voelt het niet goed om niets te doen.

Maar wat zijn nu precies deze problemen, hoe worden ze gebagatelliseerd, wat kan je doen om er niet of in mindere mate aan bij te dragen. De komende blogs zullen mijn visie hierop weergeven. Hierbij moet ik opmerken dat ik zeker geen expert ben en dat dit slechts mijn interpretatie is van datgene wat ik gelezen heb of ben tegengekomen in discussies. Mochten er hier fouten staan wijs me daar dan op!

Verslaving aan goedkope energie

Peak oil en de daaruit voorvloeiende risicos die moeten worden genomen om energiebronnen aan te spreken leiden enerzijds tot steeds grotere risico’s (BP oil Spill 2010) en tot het aanspreken van steeds vuilere olie bronnen. De netto energie winst van dit soort minderwaardige bronnen is heel laag vergeleken met de opbrengsten uit het verleden. Zo bedroeg de energie input om 100 barrels olie op te pompen ongeveer 1 barrel olie (1:100). Huidige velden hebben een EROI van maximaal 20:1. Bij diepzee boringen, teerzand velden en andere moeilijker te bereiken velden is dat niet meer dan 5:1 vaten. De meest gebruikte aanduiding voor deze verhouding is de Energy Return On Investment (EROI).



De EROI van velden wereldwijd loopt al jaren terug en een lagere EROI betekent dat meer energie nodig is om olie op te pompen en dus minder olie over blijft voor de maatschappij om deze draaiende te houden. Het schept een bepaald perspectief waarmee we kunnen kijken naar voorspellingen van toekomstige productie van velden en de kosten die daar mee gemoeid zijn.

Als voorbeeld bekijken we in het kort de geschiedenis van de Athabasca zand olie velden in Canada. Deze velden werden in 1719 ontdekt maar de eerste productie van de velden begon pas in 1967. Een tweede mijn werd pas geopend in 1978 nadat de olie crisis van 1973 ervoor zorgde dat marktprijzen zo hoog waren dat dit rendabel werd geacht. Een derde mijn werd pas in 2003 geopend door Shell Canada en doordat de prijzen op de oliemarkt blijven stijgen zijn deze mijnen uitgebreid en worden er nieuwe gepland en binnenkort geopend. De velden bevatten ongeveer 1,7 triljoen vaten olie (270×109 m3) maar waarvan ongeveer 10% met huidige technologie te mijnen valt.

De drijvende factor in het mijnen van deze teervelden is het economische kostenplaatje. Het opereren van de velden kost zoveel dat het alleen wat oplevert als prijs van olie hoog genoeg is. Als het 90 dollar kost om een vat olie op te pompen dat voor 100 dollar verkoopt dan is er 10 dollar winst. Dit is voor investeerders en oliemaatschappijen de meest geldige redenatie. Deze gebruiken dan ook het argument dat het economisch rendabel wordt om dit soort lagere rendement bronnen aan te spreken wanneer de olieprijs hoog is. Wat er niet naar voren komt is de hoeveelheid energie die het gekost heeft om deze energie te produceren.

Wanneer over tijd dezelfde (of een mindere) hoeveelheid energie wordt geproduceerd maar tegen steeds hogere energetische productiekosten zal dat een netto energie verlies opbrengen. Wanneer daarbij de vraag niet afneemt zal er dus minder energie beschikbaar zijn per capita. Mocht de vraag wel drastisch afnemen omdat er op alternatieve energie bronnen wordt overgestapt dan zal het niet rendabel zijn om olie te blijven op pompen en dan zal de productie aflopen. Mocht een samenleving zich toch blijven inspannen om olie te produceren dan zal uiteindelijk steeds meer energie naar de productie van energie gaan. Dat kan per definitie niet ad infinitum doorgaan omdat we het hier over een eindige voorraad hebben ().



De wereld olie productie volgt tot nu toe bijna een typische Hubbert curve. Hubbert was als geofysicus in dienst bij Shell en ontwikkelde in 1965 een mathematisch model waarmee de grafiek rechts ontwikkeld werd. Hij berekende dat de U.S. olie productie zou pieken in de jaren 70 waarna er een exponentiële afname zou volgen. Sinds 1980 worden er minder olie ontdekt dan dat er jaarlijks word geproduceerd. En omdat alleen olie kan worden opgepompt die ontdekt is is het aannemelijk dat daar een piek in productie op volgt. (Technologische ontwikkelen zouden deze piek kunnen afzwakken en volgens sommige zelfs kunnen voorkomen. Een volgende post zullen we kijken of dat waar te maken is) Omdat de wereld bevolking sneller gegroeid is dan de olie productie piekte de olieproductie per capita in 1979. ().
Rond 2005 waren alle olie producerende landen met uitzondering van Saudi Arabie op hun maximale productie of daarover heen. Het aanbod krimpt terwijl de vraag blijft toenemen. Het betekent niet dat de olie op is maar we zitten wel rond het punt dat er wereldwijd minder olie beschikbaar komt dan dat er vraag is.
Dat punt is wat Hubbert peak-oil noemde en de grote vraag is hoe het daarna verder gaat. Daarover in een volgende post meer.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten